Door Leny van Vliet-Smit op 26 november 2015

Algemene Beschouwingen 2015

Afgelopen zomer ontvingen wij het rapport Visie Openbaar Bestuur “Waterbestuur dat werkt” van de Unie van Waterschappen inzake de toekomst van het openbaar bestuur in het algemeen en de rol en positie van de waterschappen daarin in het bijzonder.
Dit onderwerp speelt al vele jaren. Al in 2010, het was de tijd van de Operatie Storm, met als uitvloeisel het Nationaal Bestuursakkoord Water, waren de Algemene Beschouwingen van de PvdA aan dit onderwerp gewijd. Een citaat van vijf jaar geleden:

“De waterschappen. In de afgelopen 25 jaar heeft zich daar een enorme verandering voltrokken. Waren er 25 jaar geleden nog honderden kleine waterschapjes met geheel diverse taken, (…..) momenteel zijn er in ons land nog 25 (nu 23, per 1 januari 22) integrale waterschappen over, die de zorg hebben voor watersysteem en waterketen, waterkwantiteit en waterkwaliteit. Dat kan op termijn nog wel wat minder. Als je kijkt naar de grote stroomgebieden, dan zie je dat een verder samengaan op waterstaatkundige criteria zeker tot de mogelijkheden behoort. Waterschappen hebben het grote voordeel ten opzichte van andere bestuursorganen dat zij financieel zelfvoorzienend zijn. Zij hebben hun eigen belastinggebied. Hun manco is echter dat buiten de kring van direct-betrokkenen het waterschap niet leeft, hooguit gezien wordt als een technische uitvoeringsorganisatie. Het waterschap is – zeker in stedelijke gebieden- onbekend, en dus onbemind. De neiging bij veel waterschappen om zich uitsluitend te richten op de zogeheten kerntaken, is niet goed voor het draagvlak. De PvdA is ervan overtuigd dat een brede taakopvatting noodzakelijk is om de bekendheid en het draagvlak onder de bevolking te vergroten. Alleen vanuit een brede kijk kunnen wij in goed overleg met betrokkenen komen tot goede plannen voor dijkversterking, watergebiedsplannen, betere waterkwaliteit etc. En alleen dan kunnen wij een wezenlijke rol in de planning van de ruimtelijke ordening waar maken.”

We zijn nu vijf jaar verder. Op nationaal niveau woedt de storm verder getuige het feit dat in juni het bovengenoemde rapport verscheen. Met dat rapport is iets geks aan de had. Eind 2014 heeft het kabinet een Studiegroep Openbaar Bestuur ingesteld. Deze heeft als opdracht meegekregen het openbaar bestuur in Nederland te onderzoeken en daarbij in het bijzonder te letten op het bevorderen van de economische groei.
Op eigen gezag (voor zover ik heb kunnen nagaan) heeft vervolgens de Unie van Waterschappen een eigen commissie (de commissie Oosters) ingesteld om de positie en de rol van de waterschappen in het openbaar bestuur te verkennen en daarover uitspraken te doen. Tot dusver is voor ons onduidelijk gebleven hoe deze twee commissies en hun bevindingen zich tot elkaar verhouden. Wel heeft premier Mark Rutte de visie van de waterschappen in ontvangst genomen.

In het kader van deze algemene beschouwingen hebben wij niet de behoefte om het gehele rapport punt voor punt te bespreken.
Wel willen wij enige aspecten naar voren halen.
De vraagstelling die ontleend is aan de opdracht van de Studiegroep Openbaar Bestuur legt de nadruk op de economische betekenis van waterbeheer en de waterschappen. Daar zit iets raars aan.
Wij vinden het gek dat in een land dat zonder maatregelen voor de helft van zijn gebied kan overstromen én waar juist in dat overstroombare gebied het zwaartepunt van het openbaar bestuur en de economie ligt, überhaupt de vraag gesteld kan worden naar de economische betekenis van het waterbeheer. Het belang van het waterbeheer gaat immers het belang van de economie ver te boven! Zonder goed waterbeheer ís er helemaal geen land, dus ook geen economie.
Uiteraard is het mooi dat wordt voorgerekend dat tegen slechts 0,4 procent van het BBP de waterschappen de veiligheid, bescherming tegen overstromingen en wateroverlast en de zuivering en beschikbaarheid van voldoende schoon water organiseren. Inderdaad, een koopje. Maar gek blijft het.

Het rapport komt tot de conclusie dat grote ingrepen in de structuur van de waterschappen niet nodig is.
Vier uitgangspunten worden genoemd om tot een goede uitoefening van de waterschapstaken te komen:

  • Een voldoende schaalgrootte, gebaseerd op waterstaatkundige grenzen;
  • Een helder en samenhangend takenpakket;
  • Een adequate financiering; en
  • Een deugdelijke democratische legitimatie.

Voor de PvdA-fractie zijn dit duidelijke, hanteerbare uitgangspunten.

Op het laatste uitgangspunt: een deugdelijke democratische legitimatie, willen wij nader ingaan.
De formele democratische legitimatie van de waterschappen is na de laatste verkiezingen wel in orde. Er zijn algemene verkiezingen geweest en de opkomst is verdubbeld. Uiteraard kan dat altijd beter, maar ook een evaluatie van de Unie van Waterschappen heeft als conclusie dat ze een succes zijn geweest.
De democratische legitimatie omvat echter ook een inhoudelijke kant, te weten de vraag naar het draagvlak. Traditioneel is het waterschap altijd beschouwd als een organisatie voor het platteland. Wij, de PvdA, denken dat die tijd voorbij is. Daarom willen wij nu de volgende stelling voor U neerleggen:
De toekomst van de waterschappen als zelfstandige overheidsorganisatie staat of valt bij de betrokkenheid van de stedeling.

Zonder deze betrokkenheid zal het voor het merendeel van de Nederlandse bevolking een ver-van-mijn-bedshow blijven, die zal leiden tot afnemende belangstelling van de bevolking met het risico van uiteindelijk tot opheffing. Toch willen wij ons niet overgeven aan doemdenken. Er is immers een oplossingsrichting.
Wij als Algemeen Bestuur hebben ons coalitieprogramma het motto “Waterbewustzijn” meegegeven. Dat is niet voor niets en omvat meer dan alleen de bekendheid van ons eigen waterschap.
Door de bekendheid van het waterschap te vergroten en de taken die er voor ons waterschap liggen in het stedelijk gebied serieus op te pakken moet het ons lukken om het tij te keren. Dáárom is aandacht voor stedelijk waterbeheer, het tegengaan van de wateroverlast bij heftige regenval, het tegengaan van hittestress, het streven naar een klimaatbestendige stad, zo belangrijk. Dáárom is het uitrollen van Rainproof naar alle stedelijke kernen in ons gebied zo essentieel. Daarom moeten wij innovatie bevorderen en het waterbewustzijn van de burger vergroten.

En dat brengt mij naar de plannen van AGV voor de komende vier jaar en de bijbehorende financiering.

De begroting 2016 is, ik heb het in de commissie ook al gezegd, een knap stukje werk. In kort tijdsbestek is het DB er samen met de ambtenaren in geslaagd om niet alleen een goede begroting voor 2016 te presenteren, maar ook de door de coalitie gevraagde financiële vertaling van het programakkoord en een meerjarendoorkijk.
Wij hebben geworsteld met de vraag of de wens om de tariefstijging zoveel mogelijk te beperken opwoog tegen het voorstel om de opbouw van de algemene reserves te onderbreken. De uitkomst van dit fractieberaad is dat wij voor 2016 hiermee akkoord gaan. Komend jaar zal de Nota Financieel Beleid worden herzien. Daarbij zal het onderwerp opnieuw aan de orde kunnen komen.

Het belangrijkste echter vindt de PvdA dat we nu eenduidig vastleggen dat het meerjarendoorkijkje niet zonder meer de maat is voor de jaren na 2016.
Bij deze begroting is een meerjarenbegroting opgenomen waarin de financiering van het bestuursakkoord in de komende jaren is aangegeven. De bedragen daarin kunnen hooguit indicatief zijn omdat er nog geen uitvoeringsprogramma beschikbaar is. Zo’n uitvoeringsprogramma is met name voor de vijf structurele prioriteiten en de prioriteit waterbewustzijn onontbeerlijk om te kunnen inschatten welke bedragen daadwerkelijk nodig zijn om deze prioriteiten uit te voeren. De PvdA houdt rekening met de mogelijkheid dat met name de prioriteiten voor innovatie en Rainproof aanzienlijk hoger kunnen uitvallen dan in het meerjarenoverzicht aangegeven;
Daarom willen wij dat de akkoordprioriteiten een doorvertaling krijgen in een uitvoeringsprogramma, waarbij jaarlijks bij de vaststelling van de meerjarenbegroting en begroting kan worden bezien of het in principe gevoteerde bedrag nog voldoende is. Daartoe dienen wij, samen met andere partijen een motie in.